zondag 30 maart 2008

Avondschilderingen

Met een lenige sprong en een zachte klap springt S. uit bed. Zijn ogen zijn nog steeds gesloten, hij weet perfect waar het meubilair staat. Het is de onrust die hem uit zijn slaap houdt, vervelend maar niets ongewoons. De vloer is koud, eerst zijn vingers, dan zijn ellebogen vinden de vensterbank. Zonder de ogen te openen, weet hij wat er te zien is. Een millimetervariatie op gisteren, eergisteren, de nacht exact een jaar geleden.
Het grote raam staat wijdopen, zonder de continue fotonische en energetische flux van de reclamepanelen en uithangborden en verlichtingspalen en warme afscheidskussen op straat zou de nacht steenkooldonker, maar vermoedelijk nog aangenaam qua temperatuur zijn. Het uitzicht is niet voor op een postkaart, maar geeft nu en dan droomwekkende caleidoscopische indrukken, wanneer men niet te veel acht slaat op de dominerende grijsgepleisterde voorgevel van het tabakswinkeltje rechtover de straat.
Sporadisch passeren er mensen, katten, pirouetterende papiertjes. Morgen is een vrije dag. Dagen zijn nooit vrij, maar morgen verwacht niemand hem. Hij probeert zich sowieso los te weken van de meeste verwachtingen, in de lijn van het mogelijke natuurlijk. Soms is het onvermijdbaar, soms is het de hoop van anderen die hem de deur uitdrijft en door het leven jaagt. Hij is daar niet ondankbaar om, het idee te moeten berusten op zijn eigen hoop ligt hem toch maar ongemakkelijk. Toch kan men zeggen dat het hem hier wel bevalt, op zijn minst zo nu en dan, ook al heeft hij dan niet veel kennissen, niet veel geld, niet veel om handen naar mening van zij die zich conventioneel durven noemen. Wat deze laatsten wrokkig maakt is de vrije onbezeten tijd die hij zichzelf wenst toe te eigenen. Tijd om plannen te maken, ambitieus, maar zeker niets concreets. Het heeft weinig zin om na te denken over wat je wil bereiken. Het leven is niet altijd aardig, maar S. is niet rancuneus. Hij heeft de liefde noch de wereld de oorlog verklaard. Naar veel van de dingen die hij bezit heeft hij nooit gevraagd. Anderzijds zijn er weinig dingen die hij vraagt maar niet bezit. Vurige wensen zijn er ook niet echt. Ooit zijn naam in een encyclopedie vinden, onder wie weet welke categorie, dat lijkt hem wel wat, of het ontdekken van een nieuwe ster, maar niets van levensgroot belang.

Zeven en een halve straat verder woont L. op het vijfde verdiep, een zolderkamer. Als ze uit haar raam keek zou ze over honderden schoorsteentjes kijken, enkele verlichte en vele donkere kamertjes zien, schrikken van de verweerde bakstenen kerktoren die verbazingwekkend dichtbij lijkt te staan. Maar ze kijkt niet uit haar raam, ze zit op de zetel, heeft een boek gelezen, en kijkt nu naar haar opengevouwen handen. Een oude zigeunerin zou er haar levens- en liefdesloop in zien en er verdrietig om worden.
Zijzelf ziet niets speciaals, ze let op de schaduwen, de donkere vlekken die haar gekromde handen uit de witte muur happen. Het lampje komt van de dagelijkse ochtendmarkt op het plein beneden en zou de beschrijving ‘kitsch’ waardig dragen. De zelf geparelde slingers naast de zetel zijn kleurig, vrolijk en bewegingsloos. De groenen plastic stoel, de enige in de kamer, is schaduwloos.
L. wou ook dat ze schaduwloos was, dat haar handelingen zonder gevolg bleven, haar invloed op de omgeving beperkt tot de stofwisseling van haar longen die de atmosferische gassen transformeren. Inademen, uitademen, stilletjes. Morgen is een vrije dag, dat is al een goed begin. Dagen zijn nooit vrij, maar morgen verwacht niemand haar, behalve misschien de antiekhandelaar die elke ochtend op het plein een bekertje verse koffie ruilt voor een onschuldige jongemeisjesglimlach.
De avond tuimelt en stort in valversnelling over de stad. Cafégangers trekken haar als een zak over hun kop, late wandelaars gaan op in de schaduw die zich spreidt van huis tot huis, van het grijsgepleisterde tabakswinkeltje tot de zolderkamer zeven en een halve straat verder.

0 reacties: