zondag 22 februari 2009

Voor de wereld vergaat (deel I)

Ik heb een missie. Een opdracht. Het is van onoverschatbaar belang om standvastig te blijven. De wereld heeft zijn greep op me verloren, en het is een doodsstrijd om dat zo te houden.

Het was klaarlichte dag en elke straat baarde meer volk, als een kweekcultuur zonder belemmerende omstandigheden. Ik liep naast mijn schoenen, maar niemand merkte het. De veters waren eruit, ik wist niet meer hoe ik ze er terug in moest rijgen. Ik zocht een onvindbaar adres, om een pakje af te leveren. Ook zou ik naar binnen gaan, door een voordeur die in mijn verwachtingen klein en groen was. Ze zou het papier openscheuren en de woorden ontvouwen, heel even haar adem inhouden, misschien even glimlachen. Ik liep te zoeken, het moest een van die straten zijn. De mensen bewogen stroef, ze wilden niet graag aan de kant gaan. Het moest, ik had een pakje te bezorgen. Ik zou haar een verhaaltje brengen, dat was de afspraak.
Toen de zon over haar hoogtepunt was, had ik het huis gevonden. De voordeur was klein en groen. De bel zoemde genotvol onder de aanrakingen van mijn wijsvinger. Haar moeder deed open en ik nodigde mezelf uit de kleine trapjes aan de ingang te betreden. Ze zei dat ze me niet kende. Het gaf niet, ik kende haar ook niet. Daar ik een pakje had, vond ik mezelf welkom. Meer hoefde niet gezegd, en dus liep ik de grote trap op. In mijn verwachtingen was haar kamer de tweede deur links op de eerste verdieping. Dat was de badkamer, de kamer ernaast leek op het eerste zicht wel de juiste. Het was een beetje donker, maar ze zat inderdaad in de hoek achter een kleine bureau, in de rode trui waar ik haar zo goed in kende. Ze leek in gedachten verzonken, en zo was ze op haar mooist, dat wist ik uit ervaring.