‘Ik heb de hoop verloren.’ De woorden reikten niet erg ver. Het waaide nogal hard en zo nu en dan schudde de wind de bomen door elkaar. Veel meer dan die bomen stond er niet naast de weg; een paar stenen, een paal die vroeger een bushalte was, en een man.
Hij zei het hardop, maar tegen niemand in het bijzonder. Er was niemand om het tegen te zeggen, niemand die er boodschap aan had ook eigenlijk, de verloren hoop was zijn bekommernis.
Zeker was hij niet, misschien was er nog wel een beetje over, ergens waar hij het niet kon zien. Het hield hem ook niet echt bezig. Er waren voorlopig voldoende andere dingen om over te denken, maar het was een verwachtingsloos denken. Bijna altijd dacht de man over het verleden. In het verleden hoeft men geen verwachtingen te stellen, daar is alles al gebeurd.
Avondwandelingen waren normalerwijze niet aan hem besteed, maar het leek hem leuk om met het nieuwe jaar ook een aantal nieuwe gewoontes in te voeren. De wind was behoorlijk aangenaam, de als eindeloos gepercipieerde as voor hem op een bevreemdende wijze geruststellend, en ook de eenzaamheid deerde hem niet speciaal. Ja, het moest gezegd worden, het beviel hem wel.
Thuis wachtte niemand op hem. Mevrouw J. keek wel tv, maar ze wachtte niet echt op zijn terugkomst. Ze vond het behoorlijk vanzelfsprekend dat hij zou thuiskomen, waar zou hij wel heen gaan? Erg lang waren ze nog niet getrouwd, maar wel al bij elkaar zolang ze zich konden herinneren. Meneer M. vond trouwen nergens voor nodig, en erg duur ook, maar enkele jaren geleden vond zijn vrouw dat het wel eens tijd werd. De trouwerij viel goed mee qua prijs, er was ook niet zo veel volk; een paar neven en nichten en wat kennissen van het werk. Het was al bij al een plezierige aangelegenheid, maar veel was er in de alledaagsheid niet veranderd, behalve dan dat mevrouw J. al eens brieven kreeg die geadresseerd waren aan mevrouw M.
‘We kunnen beter gaan slapen’, zei meneer M. Zijn vrouw had op die woorden gewacht om de tv uit te zetten en naar boven te sloffen. Op de badkamer poetste ze haar tanden en keek enkele minuten doordringend in de spiegel, maar gewoon zomaar, zonder dat iets speciaals haar aandacht greep. In bed vond ze haar man, die met de knieĆ«n opgetrokken op zijn zij lag, zoals hij al deed zolang ze hem kende. Het lichtje knipte uit. Het was bijna kousenvoetenstil, en een lichte duisternis verstoof zich in de kamer waar twee mensen dachten dat ze sliepen. Een man die dacht dat hij de hoop verloren had, en een vrouw die nog uren door het plafond heen staarde.
zondag 20 januari 2008
Abonneren op:
Posts (Atom)
