Ik heb een missie. Een opdracht. Het is van onoverschatbaar belang om standvastig te blijven. De wereld heeft zijn greep op me verloren, en het is een doodsstrijd om dat zo te houden.
Het was klaarlichte dag en elke straat baarde meer volk, als een kweekcultuur zonder belemmerende omstandigheden. Ik liep naast mijn schoenen, maar niemand merkte het. De veters waren eruit, ik wist niet meer hoe ik ze er terug in moest rijgen. Ik zocht een onvindbaar adres, om een pakje af te leveren. Ook zou ik naar binnen gaan, door een voordeur die in mijn verwachtingen klein en groen was. Ze zou het papier openscheuren en de woorden ontvouwen, heel even haar adem inhouden, misschien even glimlachen. Ik liep te zoeken, het moest een van die straten zijn. De mensen bewogen stroef, ze wilden niet graag aan de kant gaan. Het moest, ik had een pakje te bezorgen. Ik zou haar een verhaaltje brengen, dat was de afspraak.
Toen de zon over haar hoogtepunt was, had ik het huis gevonden. De voordeur was klein en groen. De bel zoemde genotvol onder de aanrakingen van mijn wijsvinger. Haar moeder deed open en ik nodigde mezelf uit de kleine trapjes aan de ingang te betreden. Ze zei dat ze me niet kende. Het gaf niet, ik kende haar ook niet. Daar ik een pakje had, vond ik mezelf welkom. Meer hoefde niet gezegd, en dus liep ik de grote trap op. In mijn verwachtingen was haar kamer de tweede deur links op de eerste verdieping. Dat was de badkamer, de kamer ernaast leek op het eerste zicht wel de juiste. Het was een beetje donker, maar ze zat inderdaad in de hoek achter een kleine bureau, in de rode trui waar ik haar zo goed in kende. Ze leek in gedachten verzonken, en zo was ze op haar mooist, dat wist ik uit ervaring.
zondag 22 februari 2009
zondag 30 maart 2008
Avondschilderingen
Met een lenige sprong en een zachte klap springt S. uit bed. Zijn ogen zijn nog steeds gesloten, hij weet perfect waar het meubilair staat. Het is de onrust die hem uit zijn slaap houdt, vervelend maar niets ongewoons. De vloer is koud, eerst zijn vingers, dan zijn ellebogen vinden de vensterbank. Zonder de ogen te openen, weet hij wat er te zien is. Een millimetervariatie op gisteren, eergisteren, de nacht exact een jaar geleden.
Het grote raam staat wijdopen, zonder de continue fotonische en energetische flux van de reclamepanelen en uithangborden en verlichtingspalen en warme afscheidskussen op straat zou de nacht steenkooldonker, maar vermoedelijk nog aangenaam qua temperatuur zijn. Het uitzicht is niet voor op een postkaart, maar geeft nu en dan droomwekkende caleidoscopische indrukken, wanneer men niet te veel acht slaat op de dominerende grijsgepleisterde voorgevel van het tabakswinkeltje rechtover de straat.
Sporadisch passeren er mensen, katten, pirouetterende papiertjes. Morgen is een vrije dag. Dagen zijn nooit vrij, maar morgen verwacht niemand hem. Hij probeert zich sowieso los te weken van de meeste verwachtingen, in de lijn van het mogelijke natuurlijk. Soms is het onvermijdbaar, soms is het de hoop van anderen die hem de deur uitdrijft en door het leven jaagt. Hij is daar niet ondankbaar om, het idee te moeten berusten op zijn eigen hoop ligt hem toch maar ongemakkelijk. Toch kan men zeggen dat het hem hier wel bevalt, op zijn minst zo nu en dan, ook al heeft hij dan niet veel kennissen, niet veel geld, niet veel om handen naar mening van zij die zich conventioneel durven noemen. Wat deze laatsten wrokkig maakt is de vrije onbezeten tijd die hij zichzelf wenst toe te eigenen. Tijd om plannen te maken, ambitieus, maar zeker niets concreets. Het heeft weinig zin om na te denken over wat je wil bereiken. Het leven is niet altijd aardig, maar S. is niet rancuneus. Hij heeft de liefde noch de wereld de oorlog verklaard. Naar veel van de dingen die hij bezit heeft hij nooit gevraagd. Anderzijds zijn er weinig dingen die hij vraagt maar niet bezit. Vurige wensen zijn er ook niet echt. Ooit zijn naam in een encyclopedie vinden, onder wie weet welke categorie, dat lijkt hem wel wat, of het ontdekken van een nieuwe ster, maar niets van levensgroot belang.
Zeven en een halve straat verder woont L. op het vijfde verdiep, een zolderkamer. Als ze uit haar raam keek zou ze over honderden schoorsteentjes kijken, enkele verlichte en vele donkere kamertjes zien, schrikken van de verweerde bakstenen kerktoren die verbazingwekkend dichtbij lijkt te staan. Maar ze kijkt niet uit haar raam, ze zit op de zetel, heeft een boek gelezen, en kijkt nu naar haar opengevouwen handen. Een oude zigeunerin zou er haar levens- en liefdesloop in zien en er verdrietig om worden.
Zijzelf ziet niets speciaals, ze let op de schaduwen, de donkere vlekken die haar gekromde handen uit de witte muur happen. Het lampje komt van de dagelijkse ochtendmarkt op het plein beneden en zou de beschrijving ‘kitsch’ waardig dragen. De zelf geparelde slingers naast de zetel zijn kleurig, vrolijk en bewegingsloos. De groenen plastic stoel, de enige in de kamer, is schaduwloos.
L. wou ook dat ze schaduwloos was, dat haar handelingen zonder gevolg bleven, haar invloed op de omgeving beperkt tot de stofwisseling van haar longen die de atmosferische gassen transformeren. Inademen, uitademen, stilletjes. Morgen is een vrije dag, dat is al een goed begin. Dagen zijn nooit vrij, maar morgen verwacht niemand haar, behalve misschien de antiekhandelaar die elke ochtend op het plein een bekertje verse koffie ruilt voor een onschuldige jongemeisjesglimlach.
De avond tuimelt en stort in valversnelling over de stad. Cafégangers trekken haar als een zak over hun kop, late wandelaars gaan op in de schaduw die zich spreidt van huis tot huis, van het grijsgepleisterde tabakswinkeltje tot de zolderkamer zeven en een halve straat verder.
Het grote raam staat wijdopen, zonder de continue fotonische en energetische flux van de reclamepanelen en uithangborden en verlichtingspalen en warme afscheidskussen op straat zou de nacht steenkooldonker, maar vermoedelijk nog aangenaam qua temperatuur zijn. Het uitzicht is niet voor op een postkaart, maar geeft nu en dan droomwekkende caleidoscopische indrukken, wanneer men niet te veel acht slaat op de dominerende grijsgepleisterde voorgevel van het tabakswinkeltje rechtover de straat.
Sporadisch passeren er mensen, katten, pirouetterende papiertjes. Morgen is een vrije dag. Dagen zijn nooit vrij, maar morgen verwacht niemand hem. Hij probeert zich sowieso los te weken van de meeste verwachtingen, in de lijn van het mogelijke natuurlijk. Soms is het onvermijdbaar, soms is het de hoop van anderen die hem de deur uitdrijft en door het leven jaagt. Hij is daar niet ondankbaar om, het idee te moeten berusten op zijn eigen hoop ligt hem toch maar ongemakkelijk. Toch kan men zeggen dat het hem hier wel bevalt, op zijn minst zo nu en dan, ook al heeft hij dan niet veel kennissen, niet veel geld, niet veel om handen naar mening van zij die zich conventioneel durven noemen. Wat deze laatsten wrokkig maakt is de vrije onbezeten tijd die hij zichzelf wenst toe te eigenen. Tijd om plannen te maken, ambitieus, maar zeker niets concreets. Het heeft weinig zin om na te denken over wat je wil bereiken. Het leven is niet altijd aardig, maar S. is niet rancuneus. Hij heeft de liefde noch de wereld de oorlog verklaard. Naar veel van de dingen die hij bezit heeft hij nooit gevraagd. Anderzijds zijn er weinig dingen die hij vraagt maar niet bezit. Vurige wensen zijn er ook niet echt. Ooit zijn naam in een encyclopedie vinden, onder wie weet welke categorie, dat lijkt hem wel wat, of het ontdekken van een nieuwe ster, maar niets van levensgroot belang.
Zeven en een halve straat verder woont L. op het vijfde verdiep, een zolderkamer. Als ze uit haar raam keek zou ze over honderden schoorsteentjes kijken, enkele verlichte en vele donkere kamertjes zien, schrikken van de verweerde bakstenen kerktoren die verbazingwekkend dichtbij lijkt te staan. Maar ze kijkt niet uit haar raam, ze zit op de zetel, heeft een boek gelezen, en kijkt nu naar haar opengevouwen handen. Een oude zigeunerin zou er haar levens- en liefdesloop in zien en er verdrietig om worden.
Zijzelf ziet niets speciaals, ze let op de schaduwen, de donkere vlekken die haar gekromde handen uit de witte muur happen. Het lampje komt van de dagelijkse ochtendmarkt op het plein beneden en zou de beschrijving ‘kitsch’ waardig dragen. De zelf geparelde slingers naast de zetel zijn kleurig, vrolijk en bewegingsloos. De groenen plastic stoel, de enige in de kamer, is schaduwloos.
L. wou ook dat ze schaduwloos was, dat haar handelingen zonder gevolg bleven, haar invloed op de omgeving beperkt tot de stofwisseling van haar longen die de atmosferische gassen transformeren. Inademen, uitademen, stilletjes. Morgen is een vrije dag, dat is al een goed begin. Dagen zijn nooit vrij, maar morgen verwacht niemand haar, behalve misschien de antiekhandelaar die elke ochtend op het plein een bekertje verse koffie ruilt voor een onschuldige jongemeisjesglimlach.
De avond tuimelt en stort in valversnelling over de stad. Cafégangers trekken haar als een zak over hun kop, late wandelaars gaan op in de schaduw die zich spreidt van huis tot huis, van het grijsgepleisterde tabakswinkeltje tot de zolderkamer zeven en een halve straat verder.
zondag 20 januari 2008
Het leven van meneer M.
‘Ik heb de hoop verloren.’ De woorden reikten niet erg ver. Het waaide nogal hard en zo nu en dan schudde de wind de bomen door elkaar. Veel meer dan die bomen stond er niet naast de weg; een paar stenen, een paal die vroeger een bushalte was, en een man.
Hij zei het hardop, maar tegen niemand in het bijzonder. Er was niemand om het tegen te zeggen, niemand die er boodschap aan had ook eigenlijk, de verloren hoop was zijn bekommernis.
Zeker was hij niet, misschien was er nog wel een beetje over, ergens waar hij het niet kon zien. Het hield hem ook niet echt bezig. Er waren voorlopig voldoende andere dingen om over te denken, maar het was een verwachtingsloos denken. Bijna altijd dacht de man over het verleden. In het verleden hoeft men geen verwachtingen te stellen, daar is alles al gebeurd.
Avondwandelingen waren normalerwijze niet aan hem besteed, maar het leek hem leuk om met het nieuwe jaar ook een aantal nieuwe gewoontes in te voeren. De wind was behoorlijk aangenaam, de als eindeloos gepercipieerde as voor hem op een bevreemdende wijze geruststellend, en ook de eenzaamheid deerde hem niet speciaal. Ja, het moest gezegd worden, het beviel hem wel.
Thuis wachtte niemand op hem. Mevrouw J. keek wel tv, maar ze wachtte niet echt op zijn terugkomst. Ze vond het behoorlijk vanzelfsprekend dat hij zou thuiskomen, waar zou hij wel heen gaan? Erg lang waren ze nog niet getrouwd, maar wel al bij elkaar zolang ze zich konden herinneren. Meneer M. vond trouwen nergens voor nodig, en erg duur ook, maar enkele jaren geleden vond zijn vrouw dat het wel eens tijd werd. De trouwerij viel goed mee qua prijs, er was ook niet zo veel volk; een paar neven en nichten en wat kennissen van het werk. Het was al bij al een plezierige aangelegenheid, maar veel was er in de alledaagsheid niet veranderd, behalve dan dat mevrouw J. al eens brieven kreeg die geadresseerd waren aan mevrouw M.
‘We kunnen beter gaan slapen’, zei meneer M. Zijn vrouw had op die woorden gewacht om de tv uit te zetten en naar boven te sloffen. Op de badkamer poetste ze haar tanden en keek enkele minuten doordringend in de spiegel, maar gewoon zomaar, zonder dat iets speciaals haar aandacht greep. In bed vond ze haar man, die met de knieën opgetrokken op zijn zij lag, zoals hij al deed zolang ze hem kende. Het lichtje knipte uit. Het was bijna kousenvoetenstil, en een lichte duisternis verstoof zich in de kamer waar twee mensen dachten dat ze sliepen. Een man die dacht dat hij de hoop verloren had, en een vrouw die nog uren door het plafond heen staarde.
Hij zei het hardop, maar tegen niemand in het bijzonder. Er was niemand om het tegen te zeggen, niemand die er boodschap aan had ook eigenlijk, de verloren hoop was zijn bekommernis.
Zeker was hij niet, misschien was er nog wel een beetje over, ergens waar hij het niet kon zien. Het hield hem ook niet echt bezig. Er waren voorlopig voldoende andere dingen om over te denken, maar het was een verwachtingsloos denken. Bijna altijd dacht de man over het verleden. In het verleden hoeft men geen verwachtingen te stellen, daar is alles al gebeurd.
Avondwandelingen waren normalerwijze niet aan hem besteed, maar het leek hem leuk om met het nieuwe jaar ook een aantal nieuwe gewoontes in te voeren. De wind was behoorlijk aangenaam, de als eindeloos gepercipieerde as voor hem op een bevreemdende wijze geruststellend, en ook de eenzaamheid deerde hem niet speciaal. Ja, het moest gezegd worden, het beviel hem wel.
Thuis wachtte niemand op hem. Mevrouw J. keek wel tv, maar ze wachtte niet echt op zijn terugkomst. Ze vond het behoorlijk vanzelfsprekend dat hij zou thuiskomen, waar zou hij wel heen gaan? Erg lang waren ze nog niet getrouwd, maar wel al bij elkaar zolang ze zich konden herinneren. Meneer M. vond trouwen nergens voor nodig, en erg duur ook, maar enkele jaren geleden vond zijn vrouw dat het wel eens tijd werd. De trouwerij viel goed mee qua prijs, er was ook niet zo veel volk; een paar neven en nichten en wat kennissen van het werk. Het was al bij al een plezierige aangelegenheid, maar veel was er in de alledaagsheid niet veranderd, behalve dan dat mevrouw J. al eens brieven kreeg die geadresseerd waren aan mevrouw M.
‘We kunnen beter gaan slapen’, zei meneer M. Zijn vrouw had op die woorden gewacht om de tv uit te zetten en naar boven te sloffen. Op de badkamer poetste ze haar tanden en keek enkele minuten doordringend in de spiegel, maar gewoon zomaar, zonder dat iets speciaals haar aandacht greep. In bed vond ze haar man, die met de knieën opgetrokken op zijn zij lag, zoals hij al deed zolang ze hem kende. Het lichtje knipte uit. Het was bijna kousenvoetenstil, en een lichte duisternis verstoof zich in de kamer waar twee mensen dachten dat ze sliepen. Een man die dacht dat hij de hoop verloren had, en een vrouw die nog uren door het plafond heen staarde.
Abonneren op:
Berichten (Atom)
